GERT JOCHEMS
p h o t o g r a p h y

 

 

RUS (2001-2005)

  A
  B

 

TEXT (NL)
Bernard Dewulf, voor RUS
Richard Kapuscinski, citaten gebruikt voor RUS
Ann De Meester voor DE MORGEN / ZENO, 20 feb 2002

 

GEEN HOND DIE OP VIER POTEN LOOPT
(Ann De Meester voor De Morgen, ZENO, 2 februari 2002)

Tijdens grauwe winterdagen heeft het Bajkalmeer iets van een druk bereden autoweg, een alternatieve snelweg van ijs en sneeuw.  Rond deze tijd van het jaar - late nazomer in Siberië - is het nog gewoon een meer dat de ambitie lijkt te hebben om zee te zijn, een waterlandschap dat op het eerste zicht geen grenzen heeft.  Aan de rand er van zitten Sergej - mijn compagnon de route en ikzelf. In een blokhut met een aantal brallende militairen - rang onbekend - als avondlijk gezelschap.  We eten vis, zuipen wodka, de gemoederen raken verhit.  Er wordt geschreeuwd, enkele mannen staan op, lopen het veld in en raken in een speels maar heftig gevecht verwikkeld.  Brute kracht tegen dronken geweld.  Ik houd me stil. Sergej bluft met zijn pistool.  Hij draagt het overal mee, zijn ijzeren metgezel.  Het gevecht bereikt noch een hoogtepunt noch een ontknoping.  Sergejs magnum 747 - of wat het ook is - gaat van hand tot hand, men mikt willekeurig op kameraden of onbestaande doelwitten.  îk zie overal geweerlopen, er wordt geen schot gelost.  Het meer blijft ijzig kalm en rimpelloos.

DE GESPREKKEN tussen Sergej en mij zijn woordeloos.  Zijn Engels is karig, beperkt zich tot een viertal woorden - problem, women en nog twee ondefinieerbare termen -  die hij niet zonder extreme inspanningen in klank omgezet krijgt.  Steenkoolengels met een loodzwaar Slavisch accent.  Uit reisgidsen heb ik drie woorden Engels geleerd die ik helemaal niet kan uitspreken.  Dat zorgt voor communicatieve kortsluitingen.  We lachen elkaar toe, proberen het via gebaren en gelaatsuitdrukkingen.  het overgrote deel van de dag wordt er gewoon gezegen.  Etmalen lang brengen we in elkaars gezelschap door - hij aan het stuur, ik in de passagiersstoel.  Af en toe tikt hij op mijn schouder, wijst een boom aan, duidt in de richting van een mooie vrouw.  Ik knik.  De stilte vult de gaten tussen deze korte momenten van visuele dialoog.  Meer dan een etmaal lang hoor ik alleen het geluid van banden op het wegdek, wind die langs de ramen schuurt en de zware ademhaling van mijn chauffeur.  Op het nippertje slaagt hij er in een kat te ontwijken en zegt kinderlijk spontaan : miaauw miaauw. Even verderop twee poezen.  Ik zeg onbeholpen : miaauw miaauw miaauw miaauw.  Een bevrijdende lach van Sergej, die het refrein herhaalt en verdubbelt als er in een naburig dorp vier katten te zien zijn.

Landschap is er hier in overvloed, men springt er dan ook kwistig en slordig mee om.  Overal kapotgetrapte, afgedankte schoenen, in de goot, voor de kerk, in het midden van een verlaten veld.  Hier vind je geen hek dat niet overhelt, geen autoruit zonder krassen of barsten, geen gevel die niet onderuit gezakt is, geen poort die niet uit haar hengsels hangt.  Alles lijkt slordig, beschadigd of verminkt.  Geen hond die op vier poten loopt.  Alsof niemand erom maalt dat de omgeving - die onvoorstelbare vergezichten, de horizon die nergens ophoudt - gereduceerd wordt tot een gigantische vuilnisbelt.  Na twee weken weet ik het zeker : Ilja Kabakovs Man who never threw away anything kan alleen maar hier vandaan komen.

VELE DORPEN LATER - zonder uitzondering somber, donker, koud - stoot ik midden in een open vlakte,  waar goederentreinen af en aan daveren, op een dertig jaar oude mig.  Het tuig staat verticaal, met de neus in de grond geplant, op een sokkel.  Bevreemdend disfunctioneel, een surrealistisch beeld van Russische makelij.  Even verderop : een verlaten pand, uitgeleefd met ingetrapte deuren en ingeslagen ramen.  Ik blijf fotograferen, zie iets wat voor een militaire kazerne kan doorgaan en weet dat dit eigenlijk een no-go zone is.  Ik kan het niet laten, nooit eerder zag ik zo veel tristesse in één kader.  Rood alarm als een bejaarde man achteloos informeert of ik misschien een spion ben.  Ik maak me uit de voeten, blijf tot de schemering in dit naamloze gehucht rondhangen.  Sla, tomaten, thee in een treurrige eetgelegenheid aan een van de uitvalswegen.  Ik eet, luister naar het gebral van vier dronken mannen - ze zijn overal - die achter in het lokaal zitten en staar uit het raam.  Eindelijk rust.

Gestommel aan de voordeur.  Een ongedefinieerd aantal mannen in uniform valt met veel machtsvertoon binnen.  Seconden later voel ik een mitrailleur in mijn hals. Ik blijf rustig, ga ervan uit dat dit een zoveelste staaltje van Russich pathos is, een poging tot imponeren.  Niks daarvan, deze mannen menen het.  Ik word op de grond gegooid, aan handen en voeten geboeid en in een jeep geworpen.  Een bochtige, hobbelige weg brengt ons naar de kazerne, Sergej volgt in eigen wagen.

Ik denk paniekerig aan de vele rollen film die op de achterrbank van de auto liggen, onbeschermd voor grijpgrage handen.  Trappen op naar een kale ruimte toe, ik word op een stoel gezet, uniformen lopen heen en weer, heftig gesticulerend en schreeuwend.  Ik tel er meer dan dertig.  Paspoortcontrole, vragen worden op me afgevuurd, in het Russich uiteraard.  Ik kijk onbeholpen in de richting van Sergej, hopend op een bevrijdende boodschap.  Bij een vorige arrestatie praatte hij mij binnen de drie uur weer de cel uit.  No big problem, was zijn laconieke commentaar.  Het zou tijdens onze reis een code worden.  Bij iedere controle of wegversperring herhaalde hij de magische woorden.  No big problem.  maar dit is anders, Sergej wil me iets verduidelijken maar vindt geen woorden.  een vrouw stapt het kantoor binnen.  Kolossale bontmuts, zwarte mantel en leren handschoenen, de majestueuze verschijning blijkt de vrouw van kolonel zus of zo.  Als gelegenheidstolk valt ze lelijk door de mand.  "You have to get your camera", bezweert ze me keer op keer, terwijl ze bedoelt dat ik mijn camera moet afgeven.  De ondervraging schiet geen moer op, ik word onverrichterzake naar een luxueuze flat overgebracht.  De volgende dag zit ik me op een stoel op het politiekantoor de hele tijd af te vragen wat er aan de hand is.  Geen tolk meer te bespeuren, sergej blijft herhalen dat er een big problem is.  Nog een nacht, dit keer in een enge cel die meer op een hondenkot lijkt.  Geen brits, geen toilet, water noch voedsel.  Wat voel ik me een  loser.  Dertig films, vijf dagen werk, wat is er mee gebeurd?  Het antwoord zal pas later komen.  De films werden per mig naar een lab in Ulan Ude gevlogen.  Eigenlijk moet ik me geflatteerd voelen. Het is twee jaar geleden dat er vanop deze luchtmachtbasis nog een jager was opgestegen.   Geen kerosine, het Rode Leger van weleer haalt de broeksriem aan.  Dag drie brengt mij een nieuwe tolk, praatgrage Natasja kiest mijn kant en slaagt erin om me na een halve dag onderhandelingen vrij te krijgen.  Op één enkele voorwaarde : afstand doen van al mijn films.  Ik protesteer, dat was nu net waar ik het meest voor gevreesd had.  Natasja is onverbiddelijk.  Inleveren, zo niet kan ze niks garanderen.  Ik geef me gewonnen.  De sfeer slaat meteen om.  Ik krijg schouderklopjes en een vriendelijk bedoelde stoemp in de zij.  Mijn 'bewakers' bieden mij hun excuses aan.  Ze hebben iets goed te maken.  Zin om morgen beren te gaan jagen?  Of zie ik meer in een diner met een gezellin voor één nacht?  "Russian woman are passionate", vertaalt Natasja met een schalkse glimlach in de ogen.  Ik verwerp beide opties.  Weg van deze mensen, dat is het enige waar ik aan denk.

NATASJA - fijne gelaatstrekken, grove, rode handen - neemt me mee naar huis, een scheefgezakte eengezinswoning.  We lopen de tuin in.  Een kleine witte hond komt aangestormd, bijt me zonder pardon en tot bloedens toe in de enkel.  Natasja verbindt de wonde en zet een karrenvracht voedsel en liters wodka op tafel.  We eten en toosten ontelbare malen.  Sergej kijkt tv, is een en al aandacht voor de match Moskou-Anderlecht  die op dat moment rechtstreeks wordt uitgezonden.  Natasja raakt - hoe kan het ook anders - dronken.  Ik probeer me vrolijk en dankbaar te gedragen, kijk met een scheef oog naar een portret op het buffet. het blijkt een foto van Natasja's overleden echtgenoot te zijn.  Sergej volgt de bewegingen van Glenn De Boeck en Filip Dewilde.  Nog meer wodka.  Proost.  Ik word meegetroond naar de moestuin, aardappelen kijken.Net als alle andere Russen in dit deel van het land, spendeert Natasja een groot deel van haar vrije tijd aan het rooien en sorteren van deze knollen.

Ik kijk opnieuw naar haar verweerde handen, naar de kloven en gescheurde nagelriemen.  Terug naar de sofa, een opgewonden Sergej molenwiekt en lijkt Glen De Boeck iets verwijtends toe te schreeuwen.  Ik leun achterover, Natasja verdwijnt  in een andere kamer.  Even later verschijnt ze opnieuw in de deuropening.  Kniehoge leren laarzen, witte lingerie en een korte, zwarte zweep.  Sergej kijkt slechts even op, het is echt wel een spannende match.  Mij wordt het allemaal te veel. 

   


Inge Henneman voor FOTOMUSEUM MAGAZINE, okt 2004